
Deze figuren lijken uit aarde, tijd en herinnering te zijn ontstaan. Hun verweerde lichamen dragen de sporen van een lange geschiedenis, terwijl openingen in hun hoofden de herkenbare menselijke vorm doorbreken. Deze holtes zijn geen wonden. Zij vormen ruimtes voor wat niet zichtbaar is: herinneringen, verlies, verlangen, dromen en ervaringen die zich niet laten vastleggen. Wat ontbreekt wordt hier even betekenisvol als wat aanwezig blijft. Ontdaan van hun individuele identiteit worden de figuren meer dan portretten. Zij worden dragers van een gedeelde menselijke ervaring. In hun stilte herkennen we iets van onszelf. De sculpturen nodigen uit om niet alleen te kijken naar wat zichtbaar is, maar ook naar wat verdwenen, vergeten of onuitgesproken blijft. Soms krijgt juist datgene wat ontbreekt de meest blijvende vorm.